header Gjallar, Noormannen in de Lage Landen

   MARKANTE PLAATSEN: EGMOND


Volgens Regino van Prüm kwamen er in 884 Noormannen uit Denemarken naar Kennemerland. Vandaar voeren ze de Rijn op en veroverden het oppidum Duisburg, waar zij 'gewoontegetrouw' een sterkte bouwden om te overwinteren. Het lukte echter niet om plundertochten in de omgeving te ondernemen, want hun fort werd permanent belegerd door het Frankische leger. Onverrichterzake keerden de Denen het volgende voorjaar terug naar de kust, naar Kennemerland (1). Regino legde een verband tussen Guğröğr en de tocht naar Duisburg door erop te wijzen dat de Deen hen toestemming voor de doortocht over en, naar we mogen aannemen, het verblijf in Kennemerland had gegeven.


Bij de bouw van het fort in Duisburg zou Guğröğr een rol kunnen hebben gespeeld. Want hij had ervaring met het bouwen van sterktes in vijandelijk gebied. In 882 had hij nog een belegering van Frankische troepen in Ascloha aan de Maas weten te weerstaan. Sindsdien had de keizer hem de verdediging van de Friese kusten toevertrouwd en graafschappen en lenen in Kennemerland aan hem overgedragen 'om er zich met zijn mannen te vestigen' (2). Deze hadden eerder aan Hrœrekr behoord, voegde de anonieme Oostfrankische annalist er aan toe. Hoewel we weten dat Hrœrekr Dorestad als vestigingsplaats kreeg, zoals later Guğröğr Kennemerland om er zich met zijn mannen te vestigen, is het aannemelijk dat deze heersers rondtrokken door hun gebied om hun belangen in de gaten te houden. En daarbij zal Hrœrekr tevens Kennemerland hebben aangedaan, zoals we ook kunnen afleiden uit het verhaal over het leven van de heilige Adalbert. Hrœrekr, rex barbarorum, had volgens de auteur opdracht gegeven om de door het oprukkende duinzand ondergestoven kapel van Sint-Adalbert uit te graven (3). Hoewel we aan de historische waarde van dit verhaal moeten twijfelen is het aannemelijk dat Hrœrekr plaatselijk een rol van betekenis heeft gespeeld. De herinnering aan hem was ten tijde van de optekening van de Vita Adalberti, aan het einde van de tiende eeuw, blijkbaar nog aanwezig. Bovendien herinneren twee toponiemen in de omgeving van Egmond, de Roriksberg en de Roriksput, nog aan hem (4).


Noten
(1) RP 884, 266-268; AF 884, 120; AF 883, 120, meldt hun komst een jaar eerder.
(2) AF 882, 118 ; zie voor de betekenis van ad inhabitandum Blok, 1978, 36.
(3) Vita Adalberti c.12, zie Oppermann, 1933, 12.
(4) Bertrand, 1800, 21-22.
(5) AB 850, 76.
(6) AB 855, 88.
(7) AB 855, 90.
(8) RP 885, 268-270, diversarum aquarum innumeros decursus et inpenetrabiles paludes.
(9) Oppermann, 1933, 10-11.
(10) appulisset, Oppermann, 1933, 12.
(11) De Cock, 1967, 126.
(12) Cordfunke, 1984, 55.
(13) Cordfunke, 1984, 109, 138.


De Adalbertusput, waar de ondergestoven kapel van Sint-Adalbert heeft gestaan.

Adalbertus kapel 2006


In 850 had Lotharius Dorestad en 'andere graafschappen' aan Hrœrekr overgedragen (5). Het is maar zeer de vraag of hieronder ook Kennemerland begrepen was. In 855 gaf Lotharius, die zijn einde voelde naderen, geheel Frisia aan zijn gelijknamige zoon, vanwaar (unde) Hrœrekr en zijn neef Guğröğr voor korte tijd naar hun vaderland terugkeerden (6). Opvallend is dat beide gebeurtenissen in één zin verwerkt zijn, waardoor een causaal verband gesuggereerd wordt. De Deense neven voelden zich blijkbaar niet verbonden met de nieuwe koning en vertrokken naar Denemarken om daar een greep naar de macht te doen. Maar de zaken pakten niet uit zoals ze wilden. Ze keerden nog datzelfde jaar terug, behielden Dorestad en heersten over 'het grootste deel van Frisia', dus waarschijnlijk inclusief Kennemerland (7). Daarmee zullen ze zich de vijandigheid van de Oostfrankische koning Lodewijk de Duitser op de hals hebben gehaald. Het is dan ook de vraag of Hrœrekr zich nog wel veilig voelde in het relatief ver van de zee gelegen Dorestad, makkelijk bereikbaar voor het Oostfrankische leger. De handelsplaats had een open karakter en van een nabijgelegen sterkte is uit de bronnen of archeologische opgravingen niets gebleken. Het is aannemelijker dat hij liever domicilie koos op een goed verdedigbare plaats dichter bij de zee, zoals Kennemerland. Een gebied dat slecht bereikbaar was voor het Frankische leger vanwege de waterrijke omstandigheden (8). Hrœrekr zal niet licht vergeten zijn dat hij ooit, in 844, door een Frankische koning was gearresteerd en zal sindsdien op zijn hoede gebleven zijn. Bovendien had hij te maken met een vijandelijke bevolking, die hem als een handlanger van de Frankische bezetter moet hebben gezien. Die vijandige houding bleek in 873, toen de bevolking hem inderdaad enige tijd wist te verdrijven. Dat was een reden te meer om een goed verdedigbare positie te kiezen met de mogelijkheid van een snelle aftocht naar zee. Waarschijnlijk is hij na een verblijf van enige jaren in het Deense grensgebied niet meer naar Dorestad teruggekeerd, maar heeft zich in of kort voor 862 permanent in Kennemerland gevestigd.
Vikingraids concentreerden zich op door de Franken beheerste plaatsen in Frisia citerior en Vlaanderen zoals Dorestad, Witla, Walcheren, Meinerswijk, de Betuwe, Terwaan, Antwerpen en Gent. Daarnaast kennen we aanvallen op het door de Franken nominaal beheerste Oostergo, Westergo, Norden en Riustringen, beoosten het Vlie. Van het tussenliggende gebied is ons geen enkele aanval bekend. Met name de domeingoederen in Kennemerland moeten toch een interessant aanvalsdoel hebben gevormd. Slechts in de Vita Adalberti is een vage verwijzing naar Northmannice irruptionis te vinden. De aanwezigheid van de Deense heersers zou een verklaring kunnen zijn voor het vrijwel uitblijven van raids in Kennemerland.
De Deense heersers hadden blijkbaar een vestigingsplaats in Kennemerland. Waar moeten we die zoeken? Het is zeer aannemelijk dat zij zich aan een bevaarbaar water, dat rechtstreeks met de zee in verbinding stond, hadden gevestigd. Een moeilijk per schip te bereiken locatie kan voor hen geen optie geweest zijn. En dat gold te meer voor een militair bevelhebber, belast met de verdediging van de Friese kustlanden. Er moeten volgens verschillende historische aanwijzingen in de negende eeuw in Kennemerland enkele rechtstreekse verbindingen met de zee geweest zijn. Zo werd er in de Vita Adalberti melding gemaakt van een portus (haven), die in de Noormannentijd, maar in ieder geval niet later dan ten tijde van het ontstaan van de vita in de tiende eeuw, aanwezig moet zijn geweest (9). De abdij van Egmond, nauw verbonden met Adalbert en in de tiende eeuw sterk uitgebouwd, kan een nuttig gebruik van deze portus gemaakt hebben voor de aanvoer van bouwmaterialen. Volgens diezelfde vita voer Hrœrekr per schip naar Egmond (10).
Getijdengeulen in de oude monding van het oer-IJ bij Egmond en de Zijpe bij Petten en de daarop uitkomende stelsels van afwateringsgeulen kunnen dienst hebben gedaan als vaarweg. Ze kunnen met elkaar in verbinding hebben gestaan. Daarmee zou een aantrekkelijke binnenlandse vaarroute mogelijk geweest zijn. Want buitenom langs de kust varen zal niet erg in trek geweest zijn door de overwegend aanlandige wind uit westelijke richting. Mogelijk heeft de Ascemansdelf, gegraven bij Assendelft en etymologisch met de Noormannen in verband te brengen, te maken met het open houden van een vaarroute tussen het IJ en de Zijpe.
Nergens in Kennemerland zijn de sporen van de Deense heersers zo manifest aanwezig als juist bij Egmond. De door Ruopert met Hrœrekr in verband gebrachte kapel, waar Adalbert begraven lag, de latere Adalbertskapel in het oorspronkelijke Egmond, blijkt nadien in handen van de Westfriese graven te zijn. Graaf Dirk liet in de vroege tiende eeuw de relieken van Adalbert vanuit deze kapel overbrengen naar een oratorium te Hallem, het huidige Egmond-Binnen, enige kilometers landinwaarts. De Adalbertskapel stond niet op zichzelf. Volgens Ruopert hadden de Noormannen de kapel en queque circumposita (alles er omheen) vernield. Blijkbaar was het oorspronkelijke Egmond een complete nederzetting. Er zou zelfs een omheining of versterking geweest kunnen zijn, want door naamkundigen wordt in Hecmunda veelal een versterking herkend. Met de relieken van Adalbert verhuisde ook de naam van de nederzetting Egmond, zo nauw met de heilige verbonden, mee naar Hallem. In de elfde eeuw is in het heiligenleven van Jeroen van Noordwijk nog sprake van loca Egmunda, in meervoudsvorm. In dit nieuwe Egmond concentreerden de Westfriese graven hun bouwactiviteiten en brachten er hun familieheiligdom onder. De plaats had zich als gevolg van de overstuiving van het zeegat tussen Bergen en Egmond aan het einde van de tiende eeuw niet ontwikkeld tot een nederzetting van enige importantie. Maar het was dit, gelegen aan een restgeul van het zeegat, voordien misschien wel. Mogelijk was er ook een verbinding met de noordelijker gelegen Zijpe (11). In de vita Adalberti is sprake van een haven, die dankzij de interventie van Adalbertus door een wolk aan het zicht van de langsvarende piraten werd onttrokken en blijkbaar een doel voor plundering vormde. De keuze voor de locatie van de abdij zou hiermee te maken kunnen hebben. Met name de bouw van de stenen abdijkerk door Dirk II wijst op het belang dat deze graaf in Egmond stelde.
Het terrein van het oratorium was voor de komst van de Westfriese graven al volop in gebruik. De latere abdij lag op een relatief hooggelegen plaats aan de voet van de oude duinen (12). Dit terrein was sinds de Romeinse periode verlaten maar vanaf de Karolingische periode weer bewoond, getuige de aangetroffen scherven van reliëfbandamforen uit de negende eeuw (13). Hier had in de achtste of negende eeuw een grote omgrachte hoeve gestaan.

Hoewel Velsen de beste papieren lijkt te hebben wanneer we naar de strategische ligging kijken en Bergen de beste mogelijkheden bood voor een tussenstop voor tochten tussen het vasteland en Denemarken, wijzen alle indicatoren naar Egmond als verblijfplaats van de Deense heersers. Als opkomende handelsplaats was Egmond de beste locatie voor Hrœrekr en later voor Guğröğr. En als het latere kristalisatiepunt van de Westfriese graven was het een voor de hand liggende residentie. Eigenlijk was de sterkte van Egmond de enige plaats in Kennemerland, die huisvesting kon bieden aan mannen van het koninklijke kaliber van de Deense koningszonen, of aan de echtgenote van Guğröğr, een prinses van Karolingische huize.


Referenties
Bertrand J., De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood: een bekend bedevaartsoord te Heiloo (Schoorl 1800).
Blok, D.P., 'De Wikingen in Friesland', Naamkunde 10 (1978), 25-47.
Cordfunke, E.H.P., Opgravingen in Egmond - De abdij van Egmond in historisch-archeologisch perspectief (Zutphen 1984).
De Cock, J.K., 'De wateren rond Egmond van de Romeinse tijd tot omstreeks 1300', Alkmaars Jaarboekje (1967), 124-128.
Oppermann, O., 'Vita sancti Adalberti prima', Fontes Egmundenses (Utrecht 1933), 3-22.

Terug naar overzicht markante plaatsen
Startpagina